Macht zonder grenzen heet het boek dat in de leestas gaat. Geen managementboek, maar een tamelijk lijvig overzichtswerk, op het omslag lezen we zelfs ‘standaardwerk’, over het Romeinse imperialisme. Zeg maar de opkomst en ondergang van het allereerste wereldrijk. Een dergelijk breed en ambitieus thema is de auteur, Fik Meijer, wel toevertrouwd. Niet dat hij de Nederlandse Edward Gibbon is (The Rise and Fall of the Roman Empire), die pretentie heeft hij ook niet, maar hij weet zonder meer de klassieke oudheid extra cachet te geven.
En dat brengt me op iets anders. Fik Meijer is ervoor verantwoordelijk dat ik Oude Geschiedenis ben gaan studeren. De manier waarop hij tijdens zijn colleges die onbekende wereld tot leven wist te brengen, is fascinerend. Terwijl veel andere docenten zichtbaar vermoeid en altijd ongeïnteresseerd hun tekstje reciteerden, stond Meijer letterlijk voor zijn zaak. De toga ontbrak nog net, en gelukkig beperkte hij het Grieks en Latijn tot een minimum. Na afloop van zijn colleges ontwaakte je in een wereld waarin de Cicero’s, Caesar’s, Cato’s, Gracchen, en Catilina’s ingeruild waren voor grauwe politici die wat haspelden over zaken zonder enige glans.
Als je Meijer op tv ziet vertellen over de overeenkomsten tussen de Romeinse periode en onze tijd, krijg je hetzelfde gevoel: integratieproblemen in het oude Rome, kijk, toen ging het ergens over. Nu gaat het alleen maar over quota en procedures, en natuurlijk economisch gewin. Met als gevolg tekentafeloplossingen. Nee, dan Rome. In Rome had men de pest aan het onbehouwen en boertige volk uit wat we nu de Balkan noemen. Schreeuwen, spugen, zuipen, vechten. Die werden dan ook in een aparte wijk gehuisvest. Gettovorming zou je zeggen, maar uit zijn mond klinkt het als volstrekt logisch. Romeins pragmatisme. Iedereen blij. Probleem opgelost.
Verzet tegen het Romeinse gezag? Het hele volk oppakken en honderden kilometers opnieuw huisvesten. (Dit is overigens een manier die ook Hitler voorstond. Zo wilde hij de Nederlanders naar Polen transporteren, en de Polen naar het hiernamaals. En nog steeds zie je zulke methoden. Ten tijde van de Turkse dictatuur was het gebruikelijk dat soldaten uit Oost-Turkije dienden in het westen, en omgekeerd. Geen familiebanden, dus ze schoten zonder enige wroeging.) Misstanden in het leger? Decimeren! Ik chargeer natuurlijk! Niet inhoudelijk, maar wel wat standpunt betreft. Meijer is een historicus die boven de zaken staat en geen waardeoordelen toekent. Hij vertelt niet vanuit een vooringenomen standpunt, hij laat de feiten spreken. Met bij elk mits een maar, zodat er geen enkelvoudig beeld ontstaat maar een wirwar van dimensies die je kunt betitelen als de werkelijkheid.
Je zou verwachten dat ‘Meijer op audio’ een feest van herkenning is, en vier uur zorgeloos wachten in de file. Dat valt tegen. De file, vier uur ‘Zeelandbrug’, zorgt niet voor een zorgeloos ‘Zeelandgevoel’, en Fik Meijer, vier uur college Oudheid, is geen feest van herkenning. Hoe kan dat? Het is de spreker. Kennelijk is het soms de combinatie persoon en verhaal die de vonk overbrengt. Je moet dus de persoon zien vertellen. Waar je tijdens het college Caesar voor je ogen zíet twijfelen als hij de woorden ‘alea iacta est’ uitspreekt en de Rubicon oversteekt, hoor je nu alleen maar de sonore accenten op werkelijk elk woord, zodat er sprake lijkt van een proclamatie, een vakbondsbestuurder die de menigte ment. ‘Áleá íáctá ést.’ Niks loom landschap, geen kabbelend stroompje, en al zeker geen twijfelende veldheer in tuniek die op het punt staat een enorme burgeroorlog te ontketenen.
Omgekeerd is dit trouwens ook het geval, soms moet je iemand juist niet zíen vertellen. GBJ Hilterman op de radio was buitengewoon boeiend (‘De crisis in het Midden-Oosten lijkt niet meer te bezweren met politieke middelen, goedemiddag beste luisteraars, en daarom moeten we er rekening mee houden dat de mobilisatie die nu in gang is gezet, de voorbode is van een langdurig gewapend conflict.’) op televisie zie je een regenteske man die klankloos een rede voert, waarbij de persoon afleidt van het verhaal.
Vertellen is een vak, maar inspreken is dat ook. De combinatie van beide, verteller en inspreker, is zeldzaam. Gerard Reve was iemand die dat kon: zijn verhaaltjes op vinyl zijn nog altijd een lust voor het oor, maar de tv-programma’s waarin hij kinderen voorleest, zijn een lust voor oog én oor. Daarom deze vakantie weer een ouderwets boek, de verteller denk ik erbij. En dat feest der herkenning luister ik op met een collectie jeugdzondes op audio-cd waarvan ik weliswaar de ‘elpees’ in de kast heb liggen maar weer niet de afspeelapparatuur.
Fik Meijer, Klassieke Oudheid, Home Academy 2005.